Flippie Flink


Door Clinge Doorenbos,
(J. P. J. H. Clinge Doorenbos, 1884-1978)
Tekeningen van R. Jr.
Deel II
Uitgever G.B. van Goor Zonen - Den Haag, 1935
Drukker Ellerman, Harms & Co.

Johannes Pieter Jacobus Helmich Clinge Doorenbos werd op 9 juni 1884 te Würzburg (Duitsland) geboren.
Hij was een veelzijdig man, zo was hij bekend als dichter, zanger en journalist. Zijn roepnaam was Hens, doch hij werd door iedereen Clinge genoemd.
Clinge's activiteiten kenden geen grenzen. Samen met z'n vrouw trok hij door het land met hun liedjesprogramma, hij schreef operettes en kinderboeken, maakte liedjes voor bekende Nederlandse artiesten als Louis Davids, Fien de la Mar en Jean-Louis Pisuisse, schreef gelegenheidsgedichten en reclameteksten, maakte berijmde teksten onder foto's en onder tekeningen van Jo Spier. Samen met tekenaar Louis Raemaekers verzorgde hij een groot aantal jaren een dagelijkse kinderstrip waarvan de bekendste Flippie Flink was. Voor Persil maakte Clinge Doorenbos de eerste Nederlandse, sprekende reclamefilm en hij had daarnaast nog tijd voor radio optredens en het maken van grammofoonplaten. Clinge Doorenbos overleed te Bussum op 11 mei 1978.

Korte inhoud:
Flippie Flink wordt met Waffie, zijn hond, en Piet, zijn aap, uitgenodigd om de vakantie samen met tante Mien en oom Govert in een pension aan zee door te brengen. Zo zullen zij voor de eerste keer de zee zien. Per trein reizen zij van Kibbeldam naar Zeeduinen, waarbij Piet bovenop het treindak meereist.
Tijdens deze vakantie beleven ze vele strandavonturen. Pietje verdrinkt bijna in de zee, de badstoel van een dikke man wordt door Waf en Piet ondergraven, waardoor de dikkerd met stoel en al omvalt, in het pension wordt een kussengevecht gehouden en draait Piet de badkraan open, zodat het hele pension onder water komt te staan. Waf redt een klein meisje uit de zee en Piet steelt de bretels van een dikke heer uit zijn badkoets, zodat later tot groot vermaak van de badgasten zijn broek afzakt.

Toen men klaar met het ontbijt was,
(Het was nog maar kwart voor acht)
Hield het drietal ongeduldig
Bij het hekje trouw de wacht.
't Duurde wel een héle tijd nog,
Maar om even over tien
Riep Flip: kijk, dáár komt Oom Govert,
En daar àchter Tante Mien.

~~~~~~~~~~~~~~~~~

Flip dacht: hoe is dàt gekomen?
Ik begrijp niet, hoe dat kàn!
Maar toen hij daar Piet en Waf zag,
Snapte hij er alles van.
Erg verschrikt keek d'één naar d'ànder;
De twee gravers, Waf en Piet,
Zeiden: dat die Heer zou vallen,
Dàt was de bedoeling niet!

~~~~~~~~~~~~~~~~~

Kom, zei Tante, het wordt tijd hoor,
Dat we naar 't pension toe gaan;
Jullie zullen wel héél moe zijn,
Want je bent vroeg opgestaan.
En zo wandelde het vijftal,
Waf met Pietje op zijn rug,
Door de straten van Zeeduinen
Vrolijk naar 't Pension weer t'rug.

~~~~~~~~~~~~~~~~~

En een ogenblikje later,
Hoogstens maar een tel of tien,
Kon men, zònder verrekijker,
Waffie met het kindje zien.
Moedig vocht hij met de golven
Ook al was hij nòg zo moe,
Nu eens ònder, dàn weer bóven,
Langzaam kwam hij naar hen toe.

~~~~~~~~~~~~~~~~