Razende Roeltje

Geschreven door Diet Kramer
Illustraties van Henk Poeder
Voor het eerst verschenen in 1931
Uitgegeven door Bosch & Keuning N.V.

Henk Poeder, (geboren 20-04-1897 te Assen, overleden 09-12-1958 te Kampen) kwam in 1929 met zijn gezin naar Kampen. Hij heeft in Kampen vele schilderijen, tekeningen en illustraties gemaakt. Veel van zijn werk is de gehele wereld over gegaan. Naast schilderijen en tekeningen heeft Henk Poeder ook veel kinderboeken geïllustreerd. Bekende boeken zijn 'Keteltje' van Cor Bruijn, 'Ergens op de wijde wereld' van W.G. van de Hulst en 'Razende Roeltje' van Diet Kramer.

Korte inhoud
Een Australisch jongetje komt in Nederland bij zijn oom en tante en zijn neven Ab en Vic in huis. Ook Timo, de jongen uit Indië, woont bij hun in huis. Samen gaan ze in de stad op school en beleven allerlei avonturen. Roel moet proberen zijn driftbuien te overwinnen, terwijl Vic met jaloersheid kampt.

Wordt vervolgd door:Roeland Westwout

Fragment uit het boek:
"Dat je een driftkop bent, dat weet ik, maar dat je koppig bent, lélijk koppig, dat wist ik niet. Een achterbakse jongen....een jongen die geheimen heeft! Je valt me tegen, Roel."
De tranen sprongen Roel in de ogen. Hij deed een stap terug naar de deur. Weggaan dúrfde hij niet, maar zo graag, zo èrg graag zou hij naar boven hollen en het uitbrullen, ergens waar hij helemaal alleen was met zichzelf.
Hij kón het toch echt niet zeggen. Hij wist niet hoe. Het was iets wat je niet zeggen kón, immers. Hij had gedaan wat Mr. Graham hem gezegd had, hij had er geen spijt van. Nóg steeds niet. Liet oom hem nu maar gaan. Straf was niet erg. Hij wou die straf wel dragen, al was het voor iets, dat hij niet gedaan had,
Driftige voetstappen gingen heen en weer de kamer door. Oom Albert keek op zijn horloge. "Ik heb je daar drie volle minuten laten staan. Heb je je bedacht?"
Er kwam geen antwoord. "Roel, het is geen vraag, het is een bevel. Als je niet gehoorzaamt, zal ik je moeten straffen, zoals ik Vic of Ab of Timo zou straffen in dit geval."
Roel stond rechter. Er was iets van trots in zijn houding. "Ja oom."
"Goed. Ga naar boven. Ik wil je niet zien, voor je uit eigen beweging naar me toekomt. Deze drie dagen niet....daarna óók niet. Op de leerkamer kun je je strafwerk maken en eten. Dat blijft zo tot je je bedacht hebt. Begrepen?"
Roel knikte. Spreken kon hij niet. Het was goed zo......


Roeland Westwout

Vervolg op Razende Roeltje

Geschreven door Diet Kramer
Roman voor jonge mensen
Eerste uitgave 1937
Uitgeversmaatschappij Holland - Amsterdam
Opdracht voor in het boek:Voor Kokky, Hans en Paul

Bij de uitgever is mede verschenen van dezelfde auteur:
Begin
De Bikkel
Onrustig is ons hart
Karakters en gebeurtenissen
Thuisvaart
Zes plus één werd 7

Korte inhoud:
Roel Westwout, zijn neven, de tweeling Vic en Ab, en Timo, de indische jongen, die ook bij het gezin van tante Elsa en oom Albert woont, bezoeken nu de H.B.S.
Moeder Elsa en oom Albert besluiten om nog twee meisjes uit Indië bij hun in huis te nemen. De verlegen Lientje en de zelfverzekerde Paula worden ook in het Heidehuis opgenomen.
Vooral Paula heeft het moeilijk om zich in het gezin en op school aan te passen. Dat leidt nogal tot conflicten met de jongens thuis en met hun klasgenoten. De vriendinnen van de jongens Mies van Loon en Bertie Wijkstra, kunnen ook slecht met de verwaande en over het paard getilde Paula opschieten.
Roel houdt van Mies van Loon, en als zij op een vreselijke dag op de terugweg van school door een vrachtauto wordt aangereden, stort zijn wereld in. Mies is zo erg gewond aan haar gezicht dat er afschuwelijke littekens zullen overblijven en wil hem niet meer zien. Dan is het toch Paula die Mies helpt en er voor zorgt dat het toch nog goed wordt voor Mies en Roel.
Als aan het einde van het boek Roels vader terugkeert uit Australië kan ook Roel het leven weer aanvaarden en zien Roel en Mies vol vertrouwen de toekomst tegemoet.

Fragment uit het boek:
Roel's verlegenheid was plotseling verdwenen. Hij wist alleen maar dat hij haar helpen moest, dat hij van haar hield, dat ze meer voor hem betekende dan hij ooit beseft had. Hij schoof zijn arm onder de hare, trok haar met zich mee.
"Geen sprake van, ik breng je helemaal thuis. En hoor eens, probeer het uit te houden..... wees flink, ik haal je er uit, zo gauw mogelijk. Ik zal werken als een paard..... en zo gauw als 't kan gaan we weg, wij sámen, hoor je Mies. Ik wil alles voor je doen, ik zal je met alles helpen. En dan later, dan hebben we samen ons werk, dan gaan we ver weg en alle narigheid vergeet je. Ik zal máken dat je alle narigheid vergeet. Wil je dat wel? Toe, huil nou niet, ik heb je nog nooit zien huilen, het hoort niet bij jou. Zeg alleen maar of je wilt? Vin' je.... vin' je me goed genoeg, of heb je zó nooit aan me gedacht. Zeg maar eerlijk, vind je me 'n idioot, om er over te praten, nu al? Wil je liever dat ik wegga, dat ik alleen maar een kameraad voor je blijf? Ik wil alles doen voor je, alles. Als ik je maar een beetje helpen kan. Ik kan het niet hebben dat je zo ongelukkig kijkt, Mies, toe, zeg eens wat?"
Maar Mies zei niets, helemaal niets. Ze bleef doorschreien en met haar gezicht van hem af. Alleen haar arm bleef onder de zijne en een koude, kleine hand kroop in zijn grote jongensvuist.
En toen kwam er in Roel's binnenste een gevoel, zó machtig, zó overweldigend, dat hij wel had kunnen schreeuwen van geluk. Was de wereld ooit zó mooi geweest, was de toekomst ooit zo stralend, had hij zich ooit zo intens gelukkig en zo rijk gevoeld? Hij moest slikken twee, driemaal, tegen een ontroering, die nijpend zijn keel toekneep.
Zwijgend liepen ze voort tot vlak voor het huis van Mies' ouders. Mies trok haar arm weg van onder de zijne. Roel nam zijn pet af en sloeg de regendruppels weg. Een beetje beschaamd keken ze elkander dan aan.
"Zal je nou..... zal je vanavond aan me denken en zal je je dan niet zo erg ongelukkig voelen? Nu is alles immers anders?"
"Ja, nu is alles anders. Ik.... het is te veel ineens, ik wist niet dat jij.... ik heb 't nooit durven denken."
"Mal kind!"
Ze gaf hem een hand, trok die dan vlug terug en keerde zich om naar de deur van haar huis. En toen gebeurde er iets wonderlijks, iets dat Roel zijn gehele leven niet zou vergeten. Ze kwam terug, greep het stuur van zijn fiets vast en zag hem aan met een vaste, sterke blik in haar ogen.
"Ik hou van je," zei ze heel kalm en heel duidelijk. "Ik hou van je net zoveel als jij van mij. Ik hou altijd zo veel van je als jij nu van mij houdt."
En toen draaide ze zich om, stak de sleutel in het slot van de deur en trad de verlichte gang in. De deur sloeg toe en Roel stond alleen in de schemerige straat, alleen in de neerplensende regen.

Ons Honk

Geschreven door Diet Kramer,
Illustraties van Rie Reinderhoff
Uitgever Van Holkema & Warendorf N.V. - Amsterdam
Voor het eerst verschenen in 1928
Boek uit de Oranje-Bibliotheek voor jongens en meisjes

Korte inhoud:
Charry van Walen (17 jaar) zit in de laatste klas van de HBS. Ze vormt een band met nog 4 vriendinnen: Loek, Freddy, Juul en Hil. De band heeft de naam de "Never-Minds".
Thuis heeft ze het niet gemakkelijk. Als oudste dochter in een gezin met nog 3 kinderen: Maarten, een jaar jonger, die het moeilijk heeft door zijn mismaakte been, Fijco, de twaalfjarige robbedoes en de kleine Tieneke, de "dromelot" van 4 jaar. Voor het gezin zorgt "Juf", waar ze echter niet goed mee kunnen opschieten.
Als Juf naar haar ouderlijk huis wordt teruggeroepen omdat haar moeder ernstig ziek is, loopt alles in het gezin uit de hand. Charry neemt dan een moeilijk besluit en gaat na haar examen niet studeren, maar neemt de zorg voor het gezin op zich.

Fragment uit het boek:
Char wipte de trap op naar boven en stapte met een goedmoedig: "Hallo.... het beste allemaal!" de kamer in. Veel aandacht werd er aan haar komst niet gewijd. Loek zat voor de oude oefenpiano en trommelde met veel animo: "I never see Maggie alone!"
Hil trachtte in de beperkte ruimte een solo-foxtrot uit te voeren. Juul gaf instructies en galmde ondertussen mee met haar harde jongensstem. Temidden van al die drukte zat Fré Müller, zeer alleenlijk en verlaten op een van Loeks grote kussens. Ze vormde het middelpunt van Hils gevaarlijke charlestonmanoeuvres en bladerde niettemin onverstoord in een bundel hevig moderne gedichten.
"Lieve hemel.... wat voeren jullie uit?" vroeg Charry, terwijl ze zich met een plof op Loeks wankele divan neer liet vallen. Fré keek even peinzend naar haar op.
"O, het is niets, ze maken vast Kerststemming...." zei ze ironisch en bladerde weer verder.
"Wacht maar even," riep Juul met een wuivende handbeweging. "We zijn zo klaar.... een ogenblikje..... Syncopathisch, als je kunt, Loek.... syncopathisch! She brings her father, her mother, her sister and her brother, o, I never see maggie alone!"
"Té-re-re-réééé-reboemm-boemm!" zong Loek tot slot, met een paar ferme meppen op de piano. Met een ruk draaide ze zich om op de kruk, die ijselijk piepte en knikte tegen Char.
"Een van mijn nieuwste songs.... hoe vind je 'em?"
"Krankzinnig, gewoon," mompelde Fré, weg in haar verzenbundel.

Bij Bep in de stad

Eerste deeltje van De Vier Boeken van Bob en Bep

Leesboekje voor de Indische Lagere School

Door Diet Kramer
Geïllustreerd door Tilly Dalton
Uitgeverij Noordhoff-Kolff - Batavia-Centrum, 1939
Gedrukt bij H. Veenman & Zonen te Wageningen

Ook verschenen:
Bij Bep in de stad, 1939
Bij Bob in de bergen, 1939
Bob, Bep en de dieren, 1939
't Boek van Bob en Bep, 1947 (bevat de vier boeken van Bob en Bep)

Verhaal over twee Hollandse kleuters op Java. Bob logeert in de stad bij Bep, omdat zijn moeder ziek is. Wanneer zijn moeder is hersteld, mag Bep bij Bob logeren, die in de bergen op een theeplantage woont.

Korte inhoud:
De moeder van de vijfjarige Bep ontvangt een brief van oom Wim en tante Gerda, die met hun zoontje Bob, ver weg heel hoog in de bergen wonen. Oom schrijft dat tante ziek is en naar het ziekenhuis moet. Hij vraagt of Bob, die net zo oud is als Bep, in die tijd bij Bep in de stad mag komen logeren. Bep is blij, dan heeft ze iemand om mee te spelen en ze belooft moeder om erg lief voor Bob te zijn. Als Bob komt, is Bep erg verlegen en Bob voelt zich niet thuis, hij verlangt naar huis en naar zijn moeder. Als troost geeft Bep hem haar Harlekijn, hij mag hem houden.
De volgende dag is Bob zijn verdriet vergeten en gaan ze samen in de tuin spelen. Bob vertelt van de dieren thuis. Hij heeft een paard, Moor, een poes en een hond, Pret, en een kaka, die Flip heet.
's Middags gaan ze met moeder boodschappen doen in de toko. Bob kijkt zijn ogen uit, zo druk is het in de stad en in de grote toko, raakt hij in de drukte Bep en tante Loes kwijt. Gelukkig vindt hij ze al snel terug.
Bob en Bep spelen met de fiets van Bep, die in de goedang staat. Op straat leert Bob nu ook fietsen en ze gaan treintje spelen. De ene hoek van de straat is Batavia en de andere hoek Soerabaja. Bob is de machinist en rijdt heen en weer tussen Batavia en Soerabaja. Doch dan gebeurt er een spoorwegongeluk en valt Bob languit. Gelukkig heeft hij zich niet bezeerd. Dan komt Amat, de huisjongen, hen roepen om binnen te komen. Ze moeten gaan baden.
's Avonds voelt Bob zich al een beetje thuis en Bep vraagt hem of hij wel iedere dag met haar wil spelen. Dat wil Bob wel graag. Ze moeten maar echt broertje en zusje worden, zegt hij. Bep is blij en als moeder hun klamboe instopt, zijn Bob en Bep echte vriendjes geworden.

Fragment uit: Bob en Bep gaan naar de toko
"Handen wassen!" zegt moeder tegen Bob en Bep, "we gaan uit, we gaan boodschappen doen!"
"Hoe moet dat nu?" vraagt Bep, "anders gaan we altijd op de fiets. Er kunnen toch geen twee kinderen achter op de fiets zitten?"
"Dat is wel heel erg naar voor je," plaagt moeder, "want nu moeten we met een taxi gaan. Dat vind je immers zo akelig?"
"Ha, fijn!" Bep springt door de kamer van plezier.
Moeder roept de kebon. "Tjoba panggil taxi,"zegt ze tegen hem. En de kebon loopt naar de straat. Hij steekt twee vingers in zijn mond. Hij fluit heel hard en schel.
"Aj, wat kan hij dat goed!"
Bob wil het dadelijk ook proberen. Hij blaast op zijn vingers. Maar fluiten doet hij niet. Hij sist alleen maar een beetje.
Kijk, daar is al een taxi! Ze stappen in en rijden weg.
"Wat zijn hier veel huizen, hè tante?" zegt Bob. "Wat is het hier druk!"
Dat heeft hij gisteren al gezien. Maar nu rijden ze door nog drukkere straten. Langs hen heen gaan trams en auto's, fietsen en motorfietsen. Wat een lawaai! Bob heeft nog nooit zo'n lawaai gehoord. Daar waar hij woont, is het altijd erg stil. Je ziet er geen trams en geen auto's. Daarom is Bob een beetje bang voor het lawaai. Hij kijkt naar tante Loes. Bep zit aan de andere kant van tante en kan hem niet zien. Hij schuift gauw zijn hand in de hand van tante. Hij houdt die hand stijf vast. Gelukkig, tante doet net of ze het niet merkt. En Bep kan het lekker toch niet zien!
O, wat belt die tram hard! En twee auto's rijden langs, vlak achter elkaar. Hup, hup! Ze toeteren heel hard.
"Ik ga de auto's tellen," denkt Bob. Een... twee... daar drie achter elkaar! Dat is vijf! En van de andere kant komen er wel vier... dat is negen! En nog twee! Het zijn er wel honderd. En Bob kan maar tot honderd tellen. Daar gaat ook een autobus. Wat maakt die een herrie! Die telt wel voor vier auto's! Nee hoor, Bob houdt op met tellen. het gaat allemaal veel te vlug! De taxi stopt in een smalle straat. Langs de rand staan lange rijen auto's. Er lopen hier erg veel mensen. Bom! Bob loopt pardoes tegen een dikke Chinees op.
"Uitkijken, opletten!" zegt tante, "je kunt hier niet lopen dromen, Bob!"
Bob wil wel uitkijken en opletten, maar het is zo moeilijk. Telkens moet hij omkijken. Hij ziet zoveel dingen tegelijk.

Bob en Bep gaan samen met moeder een grote toko in. Die toko is net een heel grote kamer. Nee, het is geen kamer, het is een zaal! Er staan veel toonbanken in, wel veertig. Zo iets heeft Bob nog nooit gezien. Hij kijkt erg verbaasd, hij wil telkens stil staan om te kijken. Hij kijkt omhoog. Wat is dat dak hier hoog! Hij kijkt om zich heen. Wat lopen hier veel mensen rond!
Tante Loes stapt vlug door. Ze weet precies bij welke toonbank ze moet zijn. En Bep loopt mee. Die weet hier ook goed de weg.
Bob ziet een toonbank met speelgoed. Wat staat daar een prachtige blokkendoos! Wat een grote! Hij gaat er heen. Hij raakt met zijn vinger de grote blokkendoos aan. Er naast staat een houten paard, een wit paard, een schimmel! En dan zijn er nog locomotieven. Er liggen ook glimmende ballen.... rode en groene.
"Tante Loes...." zegt Bob, "thuis heb ik een echte voetbal!"
Maar tante is er niet. Hij kijkt om zich heen. Nergens ziet hij tante Loes, nergens ziet hij Bep. Zijn ze al weg? Zijn ze al terug naar de taxi? Vreselijk, nu is hij hier helemaal alleen met al die toonbanken en al die mensen! Bob ziet wit van schrik. De tranen komen hem in de ogen.
Hij is verdwaald.

Bij Bob in de Bergen

Derde deeltje van De Vier Boeken van Bob en Bep

Leesboekje voor de Indische Lagere School

Door Diet Kramer
Geïllustreerd door Tilly Dalton
Uitgeverij Noordhoff-Kolff - Batavia-Centrum, 1939
Gedrukt bij H. Veenman & Zonen te Wageningen

Ook verschenen:
Bij Bep in de stad, 1939
Bij Bob in de bergen, 1939
Bob, Bep en de dieren, 1939
't Boek van Bob en Bep, 1947 (bevat de vier boeken van Bob en Bep)

Verhaal over twee Hollandse kleuters op Java. Bob logeert in de stad bij Bep, omdat zijn moeder ziek is. Wanneer zijn moeder is hersteld, mag Bep bij Bob logeren, die in de bergen op een theeplantage woont.

Korte inhoud:
Bob heeft bij Bep in de stad gelogeerd, omdat zijn moeder ziek was. Nu is moeder weer beter en mag Bep bij Bob in de bergen logeren. Ze reizen met de trein en oom Wim, de vader van Bob, reist met ze mee. Ook Noortje de pop en Harlekijn, het vriendje van Bob, reizen mee in de koffer.
Onderweg komen ze langs kinabomen en oom vertelt dat van de bast van deze bomen kinine-pillen worden gemaakt, die Bob en Bep wel eens van de dokter krijgen als ze koorts hebben. Na een lange treinreis en wel een uur rijden in de auto is Bob weer thuis en ziet hij eindelik, na zes weken, zijn moeder weer terug. Wat is hij blij! Moor, het paard, Pret, de hond, Witje, de poes en Flip, de kaka begroeten hem met vreugde. Pret heeft nog een verrassing voor zijn baasje, zij heeft twee jongen gekregen!
Bep voelt zich een beetje eenzaam, ze mist haar moeder. Tante Gerda, Bob's moeder, begrijpt dat en belooft haar dat Bep naar huis mag, als ze niet kan wennen.
Doch de volgende dag is Bep al spoedig gewend. Ze gaat met Bob en oom Wim wandelen in de theetuin, waar veel vrouwen werken, die de blaadjes van de theestruiken plukken. Bep mag ook plukken, doch als Bob haar plaagt, door te zeggen dat er wilde dieren in de struiken zitten, houdt ze er snel mee op.
Later lopen ze langs de schuur en de fabriek. Het ruikt er lekker, de pluksters brengen de blaadjes in de schuur, waar ze gewogen worden, waarna ze naar de fabriek gaan, waar de thee gemaakt wordt.
Als ze weer thuis komen, voelt Bep zichzelf heel groot en flink. Ze vindt het fijn hier, ze weet al wat kina is en wat thee. En als tante vraagt of ze nog naar huis wil, zegt ze dapper dat ze nog een poosje wil blijven. Ja, Bob en Bep, dat zijn twee echte vriendjes!

Fragment uit het boek:
Daar is oom Wim ook.
"Wie gaat er mee, een eind de tuin in?" vraagt hij.
Bob en Bep willen allebei mee. Ieder aan een kant van oom Wim, zo stappen ze weg.
De zon schijnt. Maar het is toch niet warm in het zonnetje. Dat komt doordat het nog zo vroeg is. Dat komt ook doordat ze hier zo hoog in de bergen zijn.
Bobs vader en de kinderen lopen langs de theestruiken. Die zijn netjes in rijen geplant. Tussen de struiken zijn brede en smalle paden. De struiken zijn niet erg hoog. Toch kunnen Bob en Bep niet over de struiken heenkijken. Net niet!
Overal zijn vrouwen aan het werk. Ze hurken bij de theestruiken neer. Ze plukken er blaadjes af en die bewaren ze in een slendang. Bep vindt het leuk om naar het plukken te kijken. Ze blijft telkens bij de vrouwen staan. Ze mag van oom Wim ook een paar blaadjes plukken.
Oom Wim wijst haar hoe ze dat moet doen. Heel voorzichtig, met vinger en duim.
"Ik vertel aan moeder, dat ik thee heb geplukt!" roept Bep trots.
"Pas maar op!" plaagt Bob. "Er zitten allerlei wilde dieren in de theestruiken!"
Daar schrikt Bep van. Ze doet gauw een stap achteruit. Ze kijkt naar oom Wim.
"Is het waar oom?"
"De pluksters moeten altijd goed oppassen," vertelt oom. "Er zijn wel eens slangen tussen de struiken. En wespen!"
"Zie je nou wel!" zegt Bob. En Bep wil liever geen blaadjes meer plukken. Ze is bang geworden.
Ze lopen heel ver de tuin in. Ze komen bij een groot meer. De zon schijnt op het water. Het water is lichtgroen. De bomen om het meer zijn donkergroen. En de lucht is blauw.
"Hè," zegt Bep, "dat is mooi!"
Oom Wim gaat op het gras zitten. Hij stopt tabak in zijn pijp. Dan steekt hij de tabak aan, met een brandende lucifer.
"Puf!" zeggen de lippen van oom Wim. En een blauwe rookwolk gaat de blauwe lucht in. Bob en Bep gaan ook zitten.
"Wat is het hier groot, hè oom!" praat Bep. Oom Wim knikt. "De rimboe is nog veel groter. Daarginds is de rimboe. Weet je wat de rimboe is, Bep? Al die grote bossen die om de theetuin heen zijn, dat noemen we de rimboe. Het is er erg donker. De bomen groeien er dicht op elkaar. Op sommige plekken is nog nooit een mens geweest."
"Wonen daar ook wilde beesten?" vraagt Bep.
"Ja, apen en slangen. En soms ook panters. Panters zijn net grote katten. Maar je hoeft er niet bang voor te zijn. Ze komen nooit bij ons huis. De slangen wel natuurlijk. Je moet altijd goed uitkijken als je ergens gaat zitten. En de apen komen ook wel dicht bij ons huis. Maar die blijven in de bomen. Die zijn niet gevaarlijk."
Ze lopen weer terug naar huis.
"Denk erom," zegt oom Wim, "je mag nooit alleen de tuin inlopen, Bep! Wel met mij of met tante. Maar nooit alleen. En ook niet met Bob. Je kunt hier makkelijk verdwalen. Goed begrepen?"
Bep knikt van ja. Ze heeft het goed begrepen.

'T Boek van Bob en Bep

Eerder verschenen in 4 aparte deeltjes voor de scholen in Nederlandsch Indië

Door Diet Kramer
Geïllustreerd door Tilly Dalton
Band- en omslagtekening van Freddie Langerer
Gedrukt bij H. Veenman & Zonen te Wageningen
Uitgeverij W. Van Hoeve – 's Gravenhage – 1947

Verhaal over twee Hollandse kleuters op Java

Korte inhoud:
Bep woont in de stad. Haar neefje Bob woont in de bergen. Omdat tante Gerda ziek is, komt Bob bij Bep in de stad logeren. Zijn vader oom Wim, brengt hem met de auto. Bob kan moeilijk wennen, daarom geeft Bep hem haar Harlekijn, waar hij troost bij vindt. Nu went hij snel en Bob en Bep worden echte vriendjes.
Als ze op een dag met de baboe naar het park gaan, worden ze overvallen door een onweersbui. Ze rennen naar huis en vergeten Harlekijn, die onder een bankje, liggend in een plas water, achterblijft. Bob kan er die nacht niet van slapen, hij heeft veel verdriet, doch gelukkig vindt baboe Harlekijn de volgende morgen in een vuilnisbak, waar een agent, die hem gevonden had, hem in heeft gestopt.
Als tante Gerda weer beter is, mag Bep bij Bob in de bergen logeren. Oom laat Bep de grote theetuinen zien en Bob laat Bep kennismaken met Witje de poes, Pret de hond, Flip de kaka en Moor het paard. Er zijn ook 2 jonge hondjes geboren, Blanko en Bruno.
Bob en Bep spelen dierentuin met de dieren. De kuikentjes mogen ook meedoen, doch als Bep het deurtje van de kooi iets te wild dichtgooit, als er een kuikentje wil ontsnappen, krijgt het kuikentje een klap van het deurtje tegen zijn nekje en valt dood neer. Oh, wat heeft Bep een verdriet en wat is ze bang om het aan Bob te vertellen! Ze loopt heel hard weg en blijft maar doorlopen, totdat ze in de grote donkere theetuinen verdwaald is.
Heel lang loopt Bep daar huilend rond, totdat een man, die op weg is naar de markt, haar vindt en terugbrengt naar huis. O, wat zijn Bob, oom Wim en tante Gerda nu blij, ze waren zo ongerust en niemand is boos op Bep om het dode kuikentje. Dat gaat Bob, samen met zijn vader, begraven in de tuin.
Als Bep weer naar huis teruggaat mag ze het kleine hondje Blanko meenemen. Bep is blij en Bob zwaait haar na als de auto weg rijdt.

Fragment uit het boek:
Sjok-sjok, gaan de kleine voetjes weer. Bep denkt: "Nu ben ik in de wijde wereld."
Van die wereld heeft oom Wim haar verteld! Als je heel ver rijdt met de trein, kom je bij de zee. En in de zee liggen nog een heleboel andere landen. En nog veel, veel verder is Holland, waar Opa en Oma wonen.
"Als ik de hele nacht doorloop, kom ik bij de zee,"denkt Bep. "Dan ben ik zo ver weg. Dan kunnen ze me vast nooit terug vinden. Stel je voor, dat ik vader en moeder nooit weer terug zie!" De tranen komen weer in Beps ogen.
Maar wat is dat? Wat hoort ze achter zich?
Stap-stap-atap! Daar komt iemand aan.
Stap-stap-stap! Er is iemand vlak bij haar. Een stem zingt een liedje. De stem zingt heel zacht. De stem zingt steeds maar door, steeds hetzelfde wijsje.
Bep blijft staan. Haar ogen kijken in het donker. Twee bange grote ogen!
Daar komt een man aan. Hij draagt een mand op zijn schouder.
Stap-stap-stap, schuiven zijn voeten over het pad. En hij zingt zachtjes voor zich heen. Eerst hoort Bep in het donker alleen maar het zingen. Ze ziet niet wie er zingt.
Dan ziet ze een witte vlek. Dat is het baadje van de man. Dan ziet ze de man helemaal!
Daar komt hij aan…. Heel kalm en langzaam. Stap-stap-stap, gaan zijn voeten over het pad.. De mand is zwaar. In de mand zijn vruchten en groenten. Die gaat de man verkopen op de pasar. De pasar is ver. De man moet nog uren lopen. Maar hij heeft geen haast. Morgenochtend vroeg hoeft hij pas op de pasar te zijn. Dan gaat hij de groenten en vruchten verkopen. Daar krijgt hij geld voor. Wat zal hij kopen voor dat geld?
Rijst en vis! En als hij veel geld krijgt voor de groenten en de vruchten, koopt hij een nieuwe sarong. Hij heeft nu ook nog wat geld in zijn zak.
Het rinkelt zachtjes als hij loopt.
De man denkt aan de rijst en de vis en de nieuwe sarong. En hij zingt maar door, heel zachtjes.
Bep is bang en blij tegelijk.
Ze is bang voor die man. En ze is toch ook blij.
Misschien is het een vriendelijke man. Misschien brengt hij haar naar huis!
De man schrikt. Hij blijft staan. Hij zingt niet meer. Langzaam komt hij dichterbij. Hij zet de mand neer. Hij bukt zich en kijkt Bep aan.
"Waah!" zegt hij dan. Je kunt horen hoe verbaasd hij is.
Bep begint ineens heel hard te huilen. Is dat van angst of is dat van blijdschap?
De man heeft een vriendelijk gezicht. Hij zegt iets tegen Bep. Maar ze kan hem niet verstaan. Hij praat die rare taal, die tante Gerda "Soedanees" noemt.
"Ik wil naar huis! Ik wil naar huis! Ik ben zo moe! huilt Bep. Ze gaat op de grond zitten. Ze houdt de handen voor haar gezicht. En ze huilt maar.
De man kan ook een beetje Maleis praten. "Dari mana, nannie?" vraagt hij. Hij heeft medelijden met Bep.
"Ik wil naar tante Gerda!" Bep is helemaal in de war. Ze kan alleen maar zeggen dat ze naar huis wil.
De vreemde man krabbelt eens achter zijn oor. Hij kijkt naar zijn mand. Hij kijkt eens naar Bep. Hij denkt na.
"Saja bawa nonnie ke roemah besar!" zegt hij dan langzaam.
Dat verstaat Bep. Hij wil haar naar huis brengen. Ze kijkt de man aan. Ze vindt hem zo lief en zo vriendelijk. En toch blijft ze maar huilen.
"Ik kan niet meer lopen….. ik ben zo moe!" zegt ze zachtjes.
De man knikt. Dat begrijpt hij gelukkig! Hij tilt Bep op Hij laat zijn mand staan. Die haalt hij straks wel. Langzaam en voorzichtig draagt hij Bep. Hij kent de weg hier heel goed. Hij weet heel precies hoe hij lopen moet naar het grote huis.
Door het donker gaat hij over de paden. Door het donker gaat hij langs de struiken.
Hij is niet bang voor apen en slangen.