De Strijd om het Geluidloze Vliegtuig

Geschreven door H. J. Haarman, (1914-1956)
Geïllustreerd door Iep Valkema
Uitgever V. A. Kramers - Rijswijk (Z.-H.)
Eerste druk 1943

De serie boeken van "De Strijd" bestaat uit:
De Strijd om het Geluidloze Vliegtuig, 1943
De Strijd om het Televisie-Geheim, 1943
De Strijd om den Verdwenen Uitvinder, 1943
De Strijd om de T.T., 1943
De Strijd om de Kaapsche Driehoekjes, 1943
De Strijd voor het Vaderland, 1947
De Strijd van een K. P., 1952
De Strijd om het Atoom-Geheim, 1952
De Strijd om de Chinese Schat, 1953
De Strijd bij het Wylermeer, 1954
De Strijd in 1943, 1955

Korte inhoud:
Als drie zestienjarige vrienden, Klaas Karstens, Wim Boelens en Henry van de Stopel, uit het Gelderse stadje G., een fietstochtje over de hei maken, zien ze een vliegtuig neerstorten. Ze redden de piloot uit het wrak, die geheimzinnige woorden mompelt: "Aanslag... geheim...moeren.... losgedraaid...." Ze maken kennis in het ziekenhuis met de vlieger Meneer Vielmons. Hij woont in Luxemburg en is hun zo dankbaar dat hij zijn adres geeft. De jongens besluiten nu om in de vakantie een fietstocht te gaan maken naar Luxemburg om daar meneer Vielmons weer te gaan opzoeken. Onderweg redden ze een klein meisje van de verdrinkingsdood. Haar vader blijkt een rijke baron. Hij is de jongens zo dankbaar, dat hij hun een auto met chauffeur aanbiedt voor hun verdere vakantie. De jongens accepteren dit met vreugde en kunnen meteen al goed opschieten met de chauffeur Karl.
Ze zetten hun tent op in de bossen bij het huis van meneer Vielmont. Hij is niet thuis, doch de jongens zien wel een grote loods, waar geheimzinnige mannen rondscharrelen, die bovendien ook inbreken in de loods. Klaas maakt foto's van ze. Later laten ze deze foto's aan meneer Vielmons zien, als deze thuis komt. Dan vertelt hij de jongens het verhaal dat hij al jaren bezig is met de constructie van een vliegtuigmotor, die niet met benzine, maar met ruwe olie wordt gestookt. Bovendien loopt de motor zo goed als geluidloos. Hiervoor hebben de militaire- en burgerlijke luchtvaart heel veel belangstelling.
De jongens besluiten om de inbrekers te volgen, als zij ze later in het stadje zien lopen, en over te leveren aan de politie. Na een spannende achtervolging, waarbij ook klappen vallen, lukt ze dat.
Als dank neemt meneer Vielmons de jongens tenslotte mee voor een tochtje met zijn vliegtuig en worden er al weer plannen gemaakt voor de volgende grote vakantie.

Fragment uit het boek:
Een heel eind verder zagen ze inderdaad de man lopen. Hij liep op het bos toe in de richting van de plaats waar Wim zich verborgen had. De jongens liepen door het bos, zodat, als de man eens achterom keek hij hen niet zou kunnen zien. Ze waren nu al bijna op dezelfde hoogte.
"Hier wachten!" fluisterde Henry. "Anders hoort hij ons."
De man verdween in het bos.
"Wij gaan langs een omweg zo vlug mogelijk naar de hoofdweg en wachten hem daar op," besloot Henry.
Hijgend van het harde lopen bereikten ze deze. Op Henry's aanraden hield Klaas zijn fototoestel weer gereed, om als het mogelijk was nog een foto te maken. Wel tien minuten wachtten ze, weggedoken in een droge sloot aan de kant van de weg. Maar wie er kwam, niet de man met de plusfour. Wel hoorden ze even later voetstappen naderen. Voorzichtig gluurden ze over de rand door de struiken heen en zagen enige honderden meters voor hen een heer uit het bos komen met een zwarte jas aan, een gleufhoed op en met een donkere bril. Een grote koffer droeg hij in zijn linkerhand.
"Dat is 'm niet," fluisterde Klaas teleurgesteld.
"Maak toch maar een foto!" beval Henry.
Klaas stelde in op tien meter. Toen de heer tot op die afstand genaderd was knipte hij af.
Ze schrokken allebei, want in de stilte, die voor hun zo spannend was, leek het zachte geluid, dat het fototoestel maakte, wel honderd maal zo sterk te zijn. Even verbeeldden zij zich dat de wandelaar het gehoord had. Deze liep echter rustig door. Hij neuriede zelfs een bekend Frans liedje.
Klaas draaide het volgende nummer van zijn film voor.
"Prachtig gelukt!" grinnikte hij. "Een tiende seconde belicht. Is vast en zeker goed. Zal ik achter dien man aangaan? Ik vertrouw het zaakje niet helemaal!"

De Strijd om de T.T.

Geschreven door H. J. Haarman, (1914-1956)
Geïllustreerd door Iep Valkema
Uitgever V. A. Kramers - Rijswijk (Z.-H.), 1943

Korte inhoud:
De drie schoolvrienden, Henry van de Stopel, Klaas Karstens en Wim Boelens, de drie musketiers, hebben vakantie.
Henry ontvangt op een dag een brief van Jan van Ark uit Vorden, waarmee de jongens eerdere avonturen beleefd hebben, waarin deze zijn komst aankondigt om iets belangrijks te vertellen. Jan arriveert in een vuurrode Bugatti race-auto, waarmee de jongens ook een ritje mogen meemaken.
Jan is een groot liefhebber van motoren en hij vertelt onderweg dat hij een nieuwe constructie heeft uitgevonden voor een nieuw model klep. Hierdoor zullen de kleppen in motoren minder slijten. Hij heeft de kleppen gemonteerd in een 500cc race-motor, waarmee hij volgende maand mee wil doen aan de T.T. in Assen. Daar wil hij zijn uitvinding testen.


Hij wordt echter sinds enige tijd achtervolgd en daarom vraagt hij de jongens hem te helpen met de proefritten. Zij zullen dan ook als zijn officiële helpers mee mogen naar de T.T. Op de terugweg van het ritje worden ze achtervolgd door een Lincoln Zephir, Jan weet na een wilde race de achtervolger te misleiden en ze arriveren weer veilig in thuis.
De volgende dag gaan de jongens met Jan mee naar zijn huis in Vorden. De motor staat daar in de garage, doch tot hun schrik ontdekken ze dat de hangsloten geforceerd zijn en de motor gestolen is. Er ligt een stuk papier waarop Jan gevraagd wordt 's avonds op het kruispunt Lochem/Vorden te komen.
Die avond wacht Jan op het kruispunt en de vrienden splitsen zich. Wim kruipt alleen achter een bosje om Jan in de gaten te houden. Jan onderhandelt met een duister figuur in een auto, die Fl. 1000,-- losgeld eist. Jan gaat hiermee niet accoord en de auto rijdt weg. Ondertussen is Wim op de bumper geklommen en rijdt zo op de auto mee, helemaal naar Scheveningen. Daar wordt de auto in een garage gestald, waarbij Wim er nog net af kon springen. Wim belt nu Jan op, die snel naar Scheveningen rijdt. Ook de politie wordt gewaarschuwd en de dief wordt ingerekend en Jan krijgt zijn motor terug.
Dan beginnen de trainingen op het circuit van Assen, er volgen spannende proefritten, en tijdens de wedstrijd blijkt al snel dat het tussen Norton en B.M.W. zal gaan. Jan finisht tot grote vreugde van de drie vrienden als eerste Nederlander op de 5e plaats. Zijn test is geslaagd en er komen grote koppen in de kranten over de uitvinding. 's Avonds wordt er feest gevierd en wordt de T.T. met een groot vuurwerk afgesloten.

Fragment uit het boek:
De keuring van de machines verliep vlot. Voorzover de jongens het konden beoordelen werden alle motoren goedgekeurd.
Bij de renners, die een verplichte ronde moesten rijden, behoorde ook Jan. Onbegrijpelijk was dit in het geheel niet, daar Jan in de rennerswereld een volslagen onbekende was. Daar kwam nog bij, dat de geroutineerde keurmeesters onmiddellijk hadden gezien, dat het kleppenmechanisme van Jan's motor van een zeer bijzondere constructie was. Blijkbaar waren de heren zeer benieuwd naar de resultaten van het geheel.
Ongeveer een tiental renners begaven zich naar de start. Allen waren van een duidelijk nummer voorzien, niet alleen op hun rug maar ook op de motor zelf. Het waren duidelijke witte borden met zwarte cijfers. Jan had no. 9 gekregen. Enigszins verspreid, bijna over de gehele breedte van de weg, stelden de renners zich op. Elk stond in een met witte lijnen begrensd vak. Een ogenblik was het nog een verwarde drukte van zenuwachtig heen en weer rennende monteurs en helpers. De officiële tijdopnemers hadden zich ondertussen opgesteld en de starter gaf het waarschuwingssein. Haastig verdwenen de mensen van de weg. Een plotselinge stilte viel in. Iedereen zweeg, terwijl de spanning toenam. Het leek waarachtig wel, of de wedstrijd zelf begon. Dan weerklonk het startsignaal! Een oorverdovend geknal en gebrom weerklonk en meteen waren de renners weg.
Een enkele pechvogel had moeite met zijn motor. Deze wilde niet aanslaan. Een paar helpers snelden toe en hielpen duwen. Eindelijk na een meter of veertig geschoven te hebben, sloeg de motor aan; eerst nog aarzelend en met een enkele geweldige knal, dan plotseling met een knetterend regelmatig gedaver. De overigen waren ondertussen de eerste bocht reeds genaderd. Veel tekening was er in het veld van renners nog niet te zien. Allen lagen nog dicht bij elkaar.
Met een geweldige blijdschap hadden de drie vrienden gezien, dat Jan heel snel "weg" geweest was. De motor had onmiddellijk aangeslagen en op de voor hen nu reeds zo bekende manier was Jan in razend snel tempo gestart. Ze meenden zelfs een ogenblik, dat ze hem als eerste de bocht hadden zien ingaan.
Wim merkte met een vrolijke, onderzoekende blik op: "Ik geloof, dat Jan een beste start had, hè?"
"Puik!" grinnikte Klaas.
"Je hebt de tijd toch opgenomen?!" vroeg Wim plotseling, nadat hij de chronometer in Henry's hand ontdekt had.
"Natuurlijk!" klonk het antwoord, ook van Klaas.
"Daar zijn we toch voor!?"

De Strijd voor het Vaderland
Voorjaar 1943

Geschreven door H.J. Haarman, (1914-1956)
Geïllustreerd door Iep Valkema
Uitgave van V.A. Kramers - Rijswijk (Z.-H.)
"Vooruit Altoos Kampend"
Eerste druk 1947

Uit het voorwoord van de schrijver:
Dit verhaal, deze "Strijd", is eigenlijk een avontuur uit de grote, dappere strijd van een waar en trouw vaderlander, die hierin de naam draagt van Frits Kornerhoom. Hij had echter honderden, ja duizenden andere namen kunnen hebben, want hij was slechts de verpersoonlijking van de strijders voor de herrijzenis van Nederland.
Geschreven in het vierde bezettingsjaar.
Juli 1943.

Korte inhoud:
In het bezettingsjaar 1943 helpen de 3 vrienden, Klaas Karstens, Wim Boelens en Henry van de Stopel, een voorbijganger, die achtervolgd en aangehouden wordt door mannen van de "Grüne Polizei". Later blijkt dat het koffertje, dat de man weggeworpen heeft, een zendinstallatie bevat. De man, de verzetstrijder Frits Kornerhoom, is de jongens zeer dankbaar en nodigt ze bij hem thuis uit. Daar maken ze kennis met Carla, de dochter van de hospita van Frits. Frits vraagt of de vrienden hem willen helpen door gegevens van de kustverdediging voor hem in ontvangst te nemen. Daartoe moeten de jongens in de Scheveningse haven contact leggen met een arbeider die hun om een vuurtje zal vragen en hun dan gelijk een lucifersdoosje zal overhandigen, waarin de gegevens verborgen zullen zitten.
Dit plan wordt ten uitvoer gebracht, maar op de terugweg merkt Klaas dat ze door een arbeider gevolgd worden. Op zijn beurt gaat Klaas nu de arbeider volgen en belt Frits op om hem te waarschuwen. Het lukt de jongens om toch, ongezien, het lucifersdoosje aan Frits te overhandigen.
Een paar dagen later krijgen ze echter van Carla het bericht dat Frits gearresteerd is en in het Seminarium te Haren, bij Vught, is gevangen genomen.
Nu nemen de vrienden contact op met Francis Hetharia, wiens adres ze van Frits gekregen hebben, voor het geval dat er iets mis zou gaan. Het lucifersdoosje hebben ze eerst uit Frits' huis gehaald en overhandigen het nu, zoals afgesproken, aan Francis.
Francis heeft een plan gemaakt om Frits uit het Seminarium te bevrijden en hem te helpen ontvluchten, met de geheime gegevens, naar Engeland. De jongens mogen meehelpen, samen met een groep andere dappere vaderlanders. Na heel wat angstige avonturen, waarbij de jongens ook hun wapens moeten gebruiken om de vijand neer te slaan, lukt dit plan wonderwel.
En als de vrienden, weer thuis, het bericht op de geheime zender horen: "De hik-machine heeft goed gewerkt!", weten ze dat Frits en de geheime papieren veilig in Engeland zijn aangekomen!

Fragment uit het boek:
Met luid geknars van remmen stopte de auto. Voor deze echter geheel stilstond, weerklonken akelig dichtbij drie geweerschoten. Boven het zachte geronk van de motor uit hoorden alle passagiers duidelijk de kogels over hun hoofden fluiten. En het was opmerkelijk, dat allen gelijktijdig, als bij afspraak, in elkaar schenen te krimpen om zich zo klein mogelijk te maken.
Jan had met zeldzame tegenwoordigheid van geest nog snel gewaarschuwd: "Houd je doodstil! Geen geluid!"
De lichamen leken te verstrakken. Geen beweging werd er gemaakt. De adem werd ingehouden, zodat elk voor zich slechts de onregelmatig snelle hartslag hoorde. Buiten de auto klonken bevelende stemmen in het Duits. Allen begrepen, waarover het ging. De chauffeur moest zijn papieren laten zien. In dodelijke spanning vroegen allen zich af, of alles in orde zou zijn. Een ogenblik later dachten ze, dat dit gevaar voorbij was. Ze hoorden voetstappen. Maar tot hun onbeschrijfelijke schrik merkten ze, dat deze aan de achterzijde van de auto stilhielden. Dan hoorden ze gerammel van een ketting. De achterklep van de auto werd neergelaten. Nu kostte het allen de grootste zelfbeheersing om niet op te springen om gereed te zijn hun leven tot elke prijs zo duur mogelijk te verdedigen.
Als bij ingeving trok Klaas de browning en hij voelde, dat alle vrienden op dit ogenblijk hetzelfde deden. Zelfs Henry en Wim haalden uit hun binnenzak de gummistok te voorschijn, welke zij krampachtig in hun rechterhand klemden, gereed om met de uiterste kracht toe te slaan.
En steeds dreigender werd het gevaar. De felle lichtbundels van twee zaklantaarns werden op de kisten gericht. De bundels zelf konden de vrienden niet zien, maar toch werd de ruimte achter in de auto flauw verlicht. Klaas wierp even een snelle blik om zich heen. Hij zag in alle mogelijke houdingen zijn vrienden zitten en liggen. En allen keken met verbeten, harde gezichten, strak voor zich uit in de richting, van waar het gevaar moest komen. Het spookachtige licht deed de koel dreigende lopen van de blauw glanzende brownings nog meer tot hun recht komen. En op dit ogenblik voelde Klaas, dat hij thans momenten beleefde, die een mens slechts eenmaal in zijn leven meemaakt.
Het gevaar werd ondertussen steeds groter. De Duitsers buiten koesterden blijkbaar wantrouwen, of wilden geen risico nemen, want eerst gaven ze een paar stevige stoten tegen de kisten. Blijkbaar deden ze dit met de geweerkolven. Maar ook dit betekende nog niet het einde. Terwijl de ogen van de vrienden zich van schrik en spanning nog meer vernauwden, hoorden ze, dat men begon met de kisten af te laden, of in elk geval overhoop te halen. Hoeveel rijen kisten of er voor hen stonden wisten de leden niet, maar aan de toenemende sterkte van het licht, konden ze zien, dat de ontdekking elk ogenblijk komen kon.
Dit kostte een van de leden van de eerste groep zijn laatste restje zelfbeheersing. Hij vloog uit zijn zittende houding overeind en met koortsachtig snelle ademhaling stootte hij uit: "Ik houd't niet langer uit. Ik houd't niet uit! Ik wil naar buiten. Ik sterf liever strijdend!" De laatste woorden werden op steeds luidere toon gesproken, terwijl het gelaat van den radeloze krampachtig vertrok en de ogen zich angstig groot openden......

De Strijd van een K.P.

Door H. J. Haarman, (1914-1956)
Uitgever V. A. Kramers - Rijswijk (Z.H.),1952

Uit het voorwoord van de schrijver:
De schrijver kan met de meeste nadruk verklaren dat alles inderdaad waar en echt gebeurd is. De hoofdpersonen leven gelukkig nog, voor zover zij tenminste niet het slachtoffer geworden zijn van een Duits vuurpelton. En dokter Gentis, Piet Vergers, Kees Slikkerveer, Francis Hetharia, Piet Heijmans en zovele anderen, die in deze "Strijd" genoemd worden, vervullen onder deze zelfde naam thans weer hun normale dagelijkse plichten.
Het doel van dit boek is ditmaal niet uitsluitend het verschaffen van enige prettige uren van geestelijke ontspanning. Het wil tevens trachten deze jonge, moedige strijders, al is het dan misschien slechts voor even zovele uren, aan de vergetelheid te ontrukken.

Korte inhoud:
Kees Slikkerveer, die tijdens de bezettingsjaren ondergedoken zit in Den Haag, krijgt bezoek van z'n vrienden en lotgenoten lange Piet Vergers en Henry van de Stopel. De vrienden hebben er genoeg van ondergedoken te zitten en lijdzaam het einde van de oorlog af te wachten. Ze willen werken voor de goede zaak en besluiten samen een K.P. (knokploeg) op te richten. Allereerst hebben ze goede wapens nodig, zo besluiten ze buurman Kuipers, een felle pro-Duitse kapitein van politie, zijn wapen afhandig te maken. Gelukkig loopt dit goed af. Henry vraagt zijn oude vrienden Francis (Fred) Hetharia en kleine Piet Heijmans mee te doen. Nu zijn ze met z'n vijfen en tot grotere dingen in staat.
Om aan geld voor hun levensonderhoud te komen, wordt er een sponsor gevonden in een slopersbedrijf dat voor de Moffen werkt, doch dat het verdiende geld in het verzet investeert.
Als de K.P. 's nachts op pad is om een voorraad hout te bemachtigen wordt kleine Piet neergeschoten. Hij heeft een kogel in zijn been en wordt door de vrienden achterop de fiets meegenomen naar het huis van Henry. Kees kent een dokter die voor de goede zaak werkt. Dokter Gentis wordt gebeld en deze is bereid in het ziekenhuis de kogel te verwijderen.
De groep wordt met 2 nieuwe leden uitgebreid. Arie Wetzelaar en Victor Leenders doen hun intrede. Vervolgens worden er van foute politiemannen pistolen bemachtigd, wordt er voor voldoende geld gezorgd door van Loderus, die Perzische kleden, goud en edelstenen voor de Duitsers opkoopt, een groot pak bankbiljetten afhandig te maken en doet de 18 jarige Hans Eckenhausen zijn intrede in de K.P.
Dan wordt Fred opgepakt en overgebracht naar het huis van bewaring in Arnhem. Allen moeten nu opnieuw onderduiken. Gelukkig hoort Henry spoedig dat Fred tijdens een overval bevrijd werd en nu ondergedoken zit in Arnhem.
Jan, de broer van Arie, raakt gewond tijdens een overval waarbij hij samen met Arie en Victor probeerde levensmiddelenkaarten te bemachtigen. Hij wordt overgebracht naar het ziekenhuis in Scheveningen. Op voorspraak van Mej. Mr. R. Stapel gaat Henry met Kriminal Kommissar Mund van de S.D. onderhandelen over de vrijlating van Jan. Hiervoor wordt als eis gesteld dat Arie en Victor zich vrijwillig zullen melden. Na lang nadenken zijn zij hiertoe bereid, doch als het zo ver is laat Victor Arie in de steek en komt niet opdagen. De laffe Victor duikt onder en behalve op de minachting van zijn vrienden, kan hij rekenen op een doodvonnis van de S.D. Arie meldt zich wel en wordt naar Scheveningen gestuurd, waar hij zijn broer Jan mag verplegen.
Fred en kleine Piet nemen deel aan een overval op het distributiekantoor in de Copernicusstraat in Den Haag. De leider is Jaap Webb een illegaal werker met een grote staat van dienst. Het lukt hun om duizenden bonkaarten mee te nemen, doch hun vreugde is van korte duur. Op het verzameladres wordt een inval gedaan en ze moeten, met achterlating van de buit, vluchten. Kort daarna wordt Jaap gearresteerd en enige dagen later betaalt hij zijn daad met zijn leven.

Fragment uit het boek:
Terwijl allen zich zo snel mogelijk met de zware koffers en rugzakken beladen naar beneden spoedden, ontstond er boven toch enig lawaai. Er werd iets geroepen. Wát, kon niemand verstaan. Jaap nam echter geen enkel risico en spoorde allen aan te vertrekken. Als laatste verliet hij 't gebouw. Even leek het een wilde vlucht. Iedereen sprong op z'n fiets en begon te spurten voor hun leven. Kleine Piet was de pechvogel. Nauwelijks vijf en twintig meter ver knapte de ketting van z'n fiets. Een ogenblik maakte een gevoel van radeloosheid zich van hem meester. De ware kameraadschap verloochende zich echter niet. Enkelen zagen het dreigende gevaar, waarin kleine Piet verkeerde en kwamen terug. Snel namen ze de bagage van hem over en Pietje werd op z'n fiets gezeten, voortgesleept om de hoek van de straat. Hier gooide Piet z'n fiets in een stalling en met een flinke sprint kon hij nog juist een vertrekkende tram halen. Op het voorbalcon stond hij hijgend z'n inzinking te boven te komen. En langzaam maakte zich een gevoel van eindeloze blijdschap zich van hem meester. Het was gelukt! Duizenden bonkaarten waren in hun handen gevallen en even zo vele duizenden onderduikers konden weer voorzien worden van een levensmiddelenkaart en daardoor uit handen van de gehate vijand blijven. Het was een groots gevoel van vrijheid, van geluk en stralende rijkdom, dat zich van hem meester maakte.
Slechts enkele uren waren nodig om Piet te leren, dat vreugde en verdriet zo heel dicht op elkaar kunnen volgen. Een meisje, de dochter van een tandarts, zo'n kleine verraadster, die in de arbeidsdienst voor meisjes was, had Jaap met z'n vrienden gevolgd naar het verzameladres. Daarna had ze onmiddellijk de Duitse politie gewaarschuwd, die onmiddellijk een inval deed op het aangegeven adres. Slechts met de allergrootste moeite gelukte het de vrienden te ontsnappen. De met zoveel levensgevaar buitgemaakte levensmiddelenkaarten moesten echter voor het allergrootste gedeelte achter gelaten worden. Dit was het wel heel droevige slot van de zo moedig opgezette overval.
Weinige dagen later bereikte echter het ongeluk zijn climax in de arrestatie van Jaap. Eenmaal in handen van de gehate S.D. werd hij geslagen, mishandeld en afgebeuld om de namen van de overige deelnemers aan de overval te weten te komen. Het is echter bewezen, dat de moedige Jaap Webb geen woord losgelaten heeft. De meest geraffineerde kwellingen konden de hoogstaande geest van deze buitengewone illegale strijder niet breken.
Enige dagen na zijn arrestatie betaalde Jaap met zijn zo kostbare jonge leven voor zijn liefde, die hij Koningin en Vaderland toedroeg. Bij al mijn medewerkers zal z'n naam altijd de diepste gevoelens van smart en eerbied opwekken. Hij was een van de velen, die het hoogste offer brachten voor de goede zaak.
Dat zij nooit vergeten moge worden!